| |
We wandelen vandaag de andere kant op en slaan vastberaden alle aanbiedingen van busjes
om ons verder te vervoeren af - we gaan het dorpje waar ons guesthouse zijn naam
vandaan haalt, Pango, bekijken. Het is druk onderweg - na vieren dus zowel kinderen
als volwassenen keren huiswaarts - en van een trottoir is natuurlijk niets te
bespeuren, ondanks het redelijk grote aantal voetgangers.
En soms is de weg smal (of de plassen en kuilen breed) en is het een kwestie
van even wachten. We zijn dan ook blij als we een zandpad inslaan en de verharding
en het verkeer achter ons laten. Vierhonderd meter verderop ligt een groot en leeg terrein te wachten
op ontwikkeling(en). De kavels zijn al provisorisch afgezet, geen idee waar men
verder op wacht. Vergunningen? Kopers? Tekeningen? De aannemer? In ieder geval
wordt het mooi wonen voor de kopers, met percelen pal aan zee.
We doorkruisen de nieuwbouwwijk en arriveren aan zee, waar, zo blijkt, ook het
kerkhof ligt. We kijken hier even rond en, opmerkzaam als we zijn, we zien al snel
de verschillen met Nederland.
Allereerst is een graf hier zeker niet iets wat decennia mee moet, en verder valt
op dat bij meer dan de helft van alle graven de na(a)m(en) van de overledene
ontbreekt.
Hierover peinzend zoeken we het strand weer op, wandelen weer naar het asfalt en
naar huis.
De volgende dag is het drukkend weer; in de verte rommelt het een beetje,
en af en toe flitst het onweer. Regenen doet het niet, maar terwijl je stilletjes
in de schaduw zit word je toch nog kletsnat. Veel te af en toe steekt er een koel
zeebriesje op. Weer om te luieren.
En dat kunnen we best, af en toe.
|
|